Wanneer u door een gemiddelde Nederlandse stad wandelt, valt het u meteen op: overal fietsen. Rijen dik bij stations, bakfietsen vol kinderen, studenten die met een koffie in de hand zigzaggen door het verkeer.
In weinig andere landen maakt de fiets zo vanzelfsprekend deel uit van het dagelijks leven. Maar hoe is deze situatie eigenlijk ontstaan?
Dat verhaal begint niet gisteren, en ook niet eergisteren. We moeten daarvoor ruim een eeuw terug in de tijd gaan.
Aan het einde van de negentiende eeuw verschenen ze opeens: hoge vélocipèdes, houten draaisels met pedalen en een wiel waar u niet omheen kon kijken. Ze waren vooral populair bij heren met een dikke portemonnee, want praktisch waren ze allerminst.
Toen rond 1885 de 'veiligheidsfiets' zijn intrede deed, veranderde alles. Geen reusachtig voorwiel meer, maar twee even grote wielen, een ketting en een frame dat u zonder acrobatiek kon besturen. Toen begon het te rollen, letterlijk en figuurlijk.
U ziet het ook terug in de oprichting van fietsclubs. De ANWB? Die begon ooit als een vereniging van wielrijders, in 1883. Fietsen was in die tijd meer een sportieve bezigheid dan een manier om naar uw werk te gaan. Maar dat veranderde al snel.
Begin twintigste eeuw was de fiets ineens overal. Niet alleen bij de elite, maar ook onder arbeiders, boeren, scholieren. U kon op twee wielen naar de fabriek, de markt of de kerk. Vooral in steden werd de fiets een handige uitkomst en een ideaal vervoersmiddel.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kreeg de fiets een andere rol. De Duitse bezetter wilden staal en rubber, dus fietsen werden massaal gestolen of ingenomen.
Misschien heeft u het weleens gehoord: "Ze hebben mijn fiets gepikt!" Die uitspraak komt recht uit die tijd. Veel mensen verstopten hun fiets, of haalden de banden eraf om te voorkomen dat hij werd meegenomen.
En na de oorlog? Toen kwam de auto, met veel lawaai en allure. In andere landen nam het autoverkeer de overhand, maar Nederland hield vast aan de fiets. Niet omdat dat hip was, maar omdat het gewoon werkte.
In de jaren zeventig werd het even spannend. Auto's kregen meer ruimte, ongelukken stapelden zich op en steeds vaker waren kinderen het slachtoffer. U begrijpt: dat leidde tot woede. Actiegroepen als 'Stop de Kindermoord' kwamen op straat voor veilig verkeer.
En met succes. Gemeenten gingen nadenken over aparte fietspaden, verkeersdrempels en veiliger kruispunten. Zo ontstond de eerste versie van het fietsvriendelijke Nederland zoals u dat nu kent.
Fietsen in Nederland is net zo gewoon als hagelslag op brood. Het zit in de cultuur. Iedereen doet het, van jonge kinderen tot ouderen op een elektrische fiets. U leert het als peuter en u stopt er pas mee als het echt niet anders kan.
Wat helpt? De infrastructuur in Nederland is echt een droom, veel meer dan in andere landen. U vindt hier duizenden kilometers fietspad, verkeerslichten die speciaal op fietsers zijn afgestemd, en zelfs rotondes waar auto's alleen te gast zijn.
Maar er is meer. Fietsen is goedkoop, gezond, en vaak nog sneller ook — zeker in steden. Waarom zou u zich met een auto door smalle straatjes wurmen als u met de fiets zo aan de koffie zit?
U kent misschien wel een paar grote namen uit de sport. Neem Jan Janssen: hij was de eerste Nederlander die de Tour de France won, in 1968. Een overwinning waar het hele land van profiteerde, want ineens zag iedereen dat we ook op wereldniveau konden trappen.
Joop Zoetemelk ging nog een stapje verder. Met zijn eindzege in 1980 en ontelbare podiumplekken werd hij het gezicht van het Nederlandse wielrennen. Zijn bijnaam? De eeuwige tweede — al was hij uiteindelijk toch gewoon eerste.
En dan is er natuurlijk Tom Dumoulin. Met zijn winst in de Giro d'Italia in 2017 gaf hij de nieuwe generatie Nederlandse wielrenners een gezicht. Stil, technisch, en razendsnel.
Bij de vrouwen heeft Nederland tegenwoordig zelfs even grote namen.
Als u ergens ter wereld een wielerwedstrijd kijkt, is de kans groot dat u een Nederlander in de top vijf ziet.
Utrecht heeft een fietsenstalling onder het station met plek voor meer dan 12.500 fietsen. Dit is grootste fietsenstalling ter wereld - en het is geen prestigeproject, maar pure noodzaak. De stad groeit, de ruimte is beperkt, en de fiets blijkt telkens weer de beste oplossing.
Groningen doet er amper voor onder. Op sommige plekken tellen ze tijdens spitsuren meer fietsers dan auto's. In Amsterdam fietst u langs grachten, tussen toeristen, over bruggen, en toch — het werkt allemaal, dankzij duidelijke fietspaden en het feit dat iedereen snapt hoe het spel gespeeld wordt.
Toeristen vallen vaak van de ene verbazing in de andere. "Waar laat iedereen die fietsen?" vraagt men zich af. Nou, soms in het kanaal, maar meestal keurig in rekken, kelders of parkeergarages speciaal voor tweewielers.
U zou denken dat alles al geregeld is, maar Nederland blijft in beweging. Elektrische fietsen zijn tegenwoordig niet meer weg te denken uit het straatbeeld. En met de opkomst van speed pedelecs wordt ook de regelgeving aangepast — deze snelle jongens mogen niet zomaar overal fietsen.
Toch zijn er uitdagingen. Jongeren gebruiken de fiets minder dan vroeger, deels door gemak, deels door andere vervoersopties. En in drukke steden worden de fietspaden soms zó vol dat het bijna filefietsen wordt.
Maar zelfs dan blijft de fiets onovertroffen. U komt er overal mee, van dorpskern tot stadscentrum. Van het werk tot op het strand. De fiets is snel, wendbaar en meestal gewoon leuk. Zelfs in de regen.
Of u nu al jaren fietst of pas net een stuur vasthoudt: in Nederland voelt het vertrouwd. De fiets hoort bij het landschap, bij het tempo, bij de mensen. U zou bijna vergeten hoe bijzonder dat eigenlijk is.